Ontwikkelingsgericht werken. Het klinkt als een methodiek, een stroming, iets wat je kunt leren in een training van twee dagen. Maar ontwikkelingsgericht werken is geen trucje. Het is een manier van kijken. Een houding. Een fundamenteel ander vertrekpunt in hoe je naar kinderen, jongeren en hun gedrag kijkt.
Wanneer een jeugdige vastloopt, zien we vaak eerst het gedrag. Het kind dat niet luistert. Dat zich terugtrekt. Dat boos wordt, explodeert of juist verdwijnt. In de hulpverlening zijn we geneigd om dat gedrag te willen veranderen. Want het gedrag veroorzaakt problemen: thuis, op school, in de groep. Ontwikkelingsgericht werken begint precies daar waar we normaal gesproken stoppen. Niet bij de vraag hoe krijgen we dit gedrag weg? maar bij de vraag: wat vertelt dit gedrag over de ontwikkeling van dit kind?
Ontwikkeling verloopt niet lineair. Kinderen ontwikkelen zich in sprongen, in horten en stoten. En die ontwikkeling vindt nooit plaats in isolatie. Ze ontwikkelt zich altijd in relatie tot anderen. In de context waarin een kind opgroeit. Dat maakt ontwikkeling kwetsbaar. Want wanneer de context onveilig, onvoorspelbaar of emotioneel niet beschikbaar is, past het kind zich aan. Niet omdat het lastig wil zijn, maar omdat het moet overleven.
Niet alleen wat heeftde jeugdige niet kloppend geleerd, maar ook wat heeft de jeugdige gemist in zijn ontwikkeling ? Welke basis is onvoldoende gelegd?
Ontwikkelingsgericht werken vraagt van ons dat we gedrag zien als een logisch gevolg van een ontwikkelingsgeschiedenis. Als een creatieve oplossing die ooit helpend was. Misschien zelfs noodzakelijk. Wat we nu ‘probleemgedrag’ noemen, is vaak gedrag dat ooit precies deed wat het moest doen. Beschermen. Afweren. Overleven.
Als hulpverlener stap je met ontwikkelingsgericht werken uit de rol van gedragscorrector en stap je in de rol van ontwikkelingsbegeleider. Je vraagt je af: wat heeft dit kind gemist in zijn ontwikkeling? Welke basis is onvoldoende gelegd? Waar is het kind blijven steken? Dat kan gaan over emotieregulatie, over vertrouwen, over autonomie, over nabijheid. Over heel basale menselijke dingen.
Dit betekent ook dat we het tempo verlagen. Ontwikkeling laat zich niet afdwingen. Je kunt een kind niet sneller laten voelen dan het kan. Niet sneller laten vertrouwen dan veilig voelt. Ontwikkelingsgericht werken vraagt om afstemming. Om aansluiten bij waar het kind nú is, niet waar wij vinden dat het zou moeten zijn op basis van leeftijd, schoolniveau of verwachtingen van de omgeving.
Voor volwassenen is dit soms confronterend. Want ontwikkelingsgericht werken maakt zichtbaar dat een kind afhankelijk is geweest van anderen om zich te kunnen ontwikkelen. En dat die afhankelijkheid niet altijd voldoende beantwoord is. Dat vraagt mildheid. Naar ouders, naar systemen, maar ook naar onszelf als professionals. We doen allemaal wat we kunnen, met wat we hebben.
Ontwikkelingsgericht werken is werken met geduld. Met nieuwsgierigheid. Met respect voor de binnenwereld van de jeugdige. Het is het durven verdragen dat verandering langzaam gaat. Dat vooruitgang soms onzichtbaar is. Maar wie ontwikkelingsgericht werkt, ziet iets wezenlijks gebeuren: een kind dat zich weer kan ontwikkelen. Dat ruimte voelt om te groeien. En uiteindelijk gedrag laat zien dat niet meer hoeft te schreeuwen om begrepen te worden.
